Overzicht van al mijn verhalen

Klik hier voor de printbare PDF-versie van dit verhaal

Boerderij Winkoop, voorheen Bergmans- en Cootmansgoed

Jan van de Kraats

Vanaf de kruising van de Beekweg met het Volenbekervoetpad zien we, deels verscholen achter hoge beuken, boerderij Winkoop. Om met de deur in huis te vallen, de Beekweg werd vroeger de Winkopersteeg genoemd. Vanaf de Telgterweg zag je al gauw aan je rechterhand boerderij Winkoop. De Papiermolen op Beekweg 1 was er voor 1690 nog niet.


Fig. 1 Boerderij Winkoop net zichtbaar achter de hoge beukenbomen. Centraal kruisen de Schoonderbeek en het Volenbeker voetpad de Beekweg. Ook onder de titel “beek bij Niehuis”.

Winkoop heeft een lange geschiedenis en omdat het een boerderij was die onder de Kelnarij viel zijn er in het Gelders archief in Arnhem nog oude documenten te vinden. Zo lezen we in een map uit het Kelnarij archief over deze boerderij (0324-0144) dat het ooit Bergmansgoed en Cootmansgoed heette. Een ander oud document van omstreeks 1400 (0324-37D) geeft een rijtje namen weer van boerderijen met inderdaad bona (boerderij) Kotemannes en kort daarna bona Barchmannes. Het lijken dan nog twee afzonderlijke bedrijven in buurtschap Norden die beide Willam van Volenbeeck als bezitter hadden en die daarna zijn samengevoegd. Details daarover ontbreken.

In een nog oudere lijst met belastingplichtigen uit 1325 (0001-4046) vinden we Bessel van No(e)rden die weliswaar niet direct te linken is aan deze boerderij, maar op grond van de naam Bessel en ander indirect bewijs waarschijnlijk de oudst bekende eigenaar is. Terug naar de map is in 1457, 1470 en 1483 ene Bessel Willems bezitter van Bergmansgoed en Cootmansgoed of zoals het dan ook wel gaat heten Bessel Willemsengoed. In 1492 wordt Arent Besselsen, de zoon van Bessel Willems, de bezitter. In 1507 Gerrit Arendsen. In 1529 is weer een nieuwe generatie met zoon Bessel Gerritsen. In 1544 is Melis Besselsen bezitter van Bergmans en Cootmansgoed alias Bessel Willemsengoed. Wat was de naamgeving van personen toch handig in die tijd.

Kort na 1574 lijkt er een andere familie aan het bewind te komen met Jan Eversen Wijncoop. Maar nader bekeken is er toch een duidelijke band, hij was namelijk getrouwd met Geregen (Geertje) Melissen, een dochter van Melis Besselsen. Zijn achternaam Wijnkoop stamde af van het toen algemene gebruik om bij het afsluiten van een contract een rondje bier te moeten geven, de wijnkoop (zeg winkoop). Of Jan Eversen Wijncop zijn naam heeft gekregen omdat hij zelf veel handel dreef en dus vaak rondjes moest geven, of dat hij vaak bij rondjes die anderen gaven aanwezig was, weten we niet. Meer voor de hand liggend zal hij die naam van zijn voorouders hebben gekregen. In ieder geval kunnen we begrijpen dat die naam een feestelijke bijklank had, een meevaller, een voordeeltje. Zijn naam gaf de nieuwe boerderijnaam Winkoop die tot in onze tijd nog steeds in gebruik is.

Een moord

In 1606 wordt Aalt Jansen Wincoop, een zoon van Jan en Geertje, vermoord door zijn overbuurman van boerderij de Hooft, Kil ten Hoof, samen met Jan Jansen Timmerman. Johannes van Hell heeft daarover in het jaarboek van het Puttens Historisch Genootschap (PHG) van 1991 een verhaal geschreven, “De Dood in de Gelagkamer”. Hier een verkorte versie. Er was ruzie geweest over het plaatsen van bijenkorven. Kil verklaarde zich onschuldig en zei dat hij geen wrok had gehad tegen Aalt, het was Jan Jansen Timmerman geweest. Die had zelfs ’s morgens nog met Aalt gevochten. Dat deden ze wel vaker, zonder dat het zo uit de hand gelopen was. Nu was Jan zelfs zover dat hij met een geladen geweer had rond gelopen.

Jan daarentegen verklaarde dat hij met Kil in een drankgelegenheid een glas bier was gaan drinken. Aalt was daar ook en ze hadden weer woorden gekregen. Aalt had Jan bij zijn hoofd gegrepen, waarna anderen de twee uit elkaar haalden. Jan werd daarbij vastgehouden en ving enkele rake klappen op. Kil was nu met een mes in de hand zich er ook mee gaan bemoeien. Kil en Aalt gingen elkaar met messen te lijf. Jan kwam er ook bij met zijn mes. Aalt werd daarbij in zijn zij gestoken waarna hij bewusteloos raakte. Kil sprong door een venster en vluchtte, gevolgd door Jan. Tijdens een verhoor op de pijnbank had Jan volgehouden onschuldig te zijn. Kil had wel bekend, maar verklaarde dat vanwege de pijnbank gedaan te hebben. Als straf werden ze voor 10 jaar uit Gelderland verbannen. Voor meer details over hoe het precies gebeurde zie het genoemde verhaal of de bron (0124_4504-0457).

In 1620 zien we Bessel een andere zoon van Jan Eversen Wijncop, in de volksmond Bessel Aersen, als eigenaar. Kort daarop in 1625 is er al weer een zoon van hem, Melis Besselsen (Wijnkoop), bezitter. Die zien we ook staan in een lijst van de Kelnarij met bezitters en hun boerderijen uit omstreeks 1627 (0324-37h), Melijs (Melys) Besselsen op Coot en Broeckmansgoed te Norden. Merk op dat de opsteller hier een (overschrijf)fout maakt in de boerderijnaam. Al met al mogen we wel aannemen door de vele Bessels die we tegenkwamen, dat de Bessel van Norden uit 1325 ook op deze boerderij zat.

Bij een belangrijke belasting taxatie uit 1650, de zogenaamde verponding, zien we dat Melis Bessels nog steeds eigenaar is (0008-293-0121). Hij heeft Winkoop verpacht aan Cornelis Claessen en boert dus niet zelf. Er ligt 11 molder (6.3 ha) bouwland bij. Er zijn 3 paarden en 4 koeien. De houtwallen zijn in goede staat en er zijn opgaande bomen als erfbeplanting, vermoedelijk eiken. De jaarlijkse afdracht aan de Kelnarij bedraagt 49 stuivers tins en 1/3 deel van de graanoogst.

Een vervolg lezen we in een uittreksel over deze boerderij (0324-0268-0215). In 1659 is Melis Besselsen nog steeds bezitter. Hij heeft dan de hofjes voor de Voskamp afgegraven (ontgonnen) en moet daarvoor een bedrag betalen. De hofjes moeten liggen in de buurt van wat de Voskamp of later Vossegat genoemd wordt, misschien op perceel B293. Hij verkoopt in dat jaar ook een stuk land wat voor de Vanenburg ligt aan Hendrik van Essen van de Vanenburg. Daar komt gedoe van omdat hij het land niet wil opleveren.

In 1675 moet hij met zijn zoon Bessel Melissen boetes betalen aan de Kelnarij voor meerdere administratieve molesten (overtredingen). Vanaf 1676 betaalt die zoon ook andere bedragen, hij lijkt dan dus de opvolger. De in latijn gestelde tekst doet mij vermoeden dat er achterstallige betalingen zijn. Maar pas in 1688 overlijdt Melis Besselsen en in 1691 betaalt zoon Bessel Melissen Wijncoop de zogenaamde oprukking (uitstel van horig worden).

Ruzie om de beek

Maar er spelen ook andere zaken, zoals blijkt uit een getuigenverslag uit het Vanenburg archief (Gelders archief 0539-88) uit 1690. Getuigen denken dat het in het jaar 1666 was geweest dat zij op verzoek en op kosten van Hendrik van Essen, heer van de Vanenburg, aan een beek hebben gegraven van het Zuiderveld naar de (Vanenburger) papiermolen op de Wezeler. Die beek kwam onderlangs de hofstede van Winkoop. Melis Bessels Wijncoop kwam meerdere keren een praatje maken en er waren geen problemen. Integendeel de steeg (nu Beekweg) was nu goed begaanbaar door de verbeterde afvoer van het water. Doordat er aan de kant van Winkoop een wal loopt met hout bepoot is ook daar geen water overlast vanuit de beek.

Anderen getuigen over recentere zaken. Het is nu 1690 en Bessel Melissen Wijncoop is bezitter van Winkoop. Die kwam vragen wie hun de opdracht had gegeven om de beek uit te graven, was dat wellicht de huidige eigenaar Philip van Essen, heer tot den Vanenburg? Bessel wilde dat namelijk niet hebben, als ze ook nog maar een schop in de grond zouden steken zou hij ze middels het gerecht aanpakken. Hij wilde het water zelf houden en hij zou de beek onklaar maken. Ze moesten dat maar op de Vanenburg gaan vertellen. Daar hadden ze geen zin in en zeiden ga zelf maar naar de Vanenburg. Toch zijn ze gegaan, maar Philip van Essen zei, ik heb het recht aan mijn kant dus ga maar weer graven. Dat hebben ze gedaan. Bessel stond daar toen met een schop, samen met zijn bouwman met een turfbijl en een plaggezicht, te dreigen dat ze moesten stoppen. Hij haalde er ook de onderscholt nog bij om de dreiging kracht bij te zetten, desnoods haalde hij er nog meer volk bij zei hij. Hun harten “bolderden”. Toen Bessel even weg was zei de bouwman: ik moet Bessel wel helpen als dit uit de hand loopt. Hij is mijn baas. Er komt een rechtszaak waarin Van Essen het recht inderdaad aan zijn kant blijkt te hebben. De beek moet blijven bestaan en onderhouden kunnen worden. Een aangelande mag die niet op eigen houtje onklaar maken.


Fig. 2 De beek bij Winkoop bij de kruising met het Volenbekervoetpad. De Beekweg is hier nog zandweg met geheel links achter de paaltjes een fietspad. Rechts de hoge beukenbomen. Zo was het in mijn jeugd. Nu is hier een picknick plek.

Bessels testament

In 1707 maakt Bessel een testament op waarin hij het halve goed Winkoop op zijn broer Reijer Melissen Wijncoop wil laten vererven en de andere helft op de kinderen van zijn overleden broer Jan Melissen Wijncoop. Hijzelf is kennelijk kinderloos gebleven. De Kelnarij is akkoord, maar hij maakt in 1709 een iets gewijzigd testament. Vanaf deze tijd zijn er ook afschriften van de Kelnarij te lezen in 0324-250(abc). Bessel en zijn broer Reijer zijn ook al vrij snel overleden. Alle drie broers zijn nu binnen korte tijd gestorven. We zullen ze hierna noemen broer Bessel, broer Jan en broer Reijer. Er was ook een broer Gerrit geweest die al jong was gestorven. Aaltje, de dochter van broer Reijers, zal de soolweer van Winkoop plus de helft van het land ontvangen. De andere helft van het land zonder soolweer toegewezen aan de kinderen van zijn broer Jan, wordt daarmee wel iets minder in waarde. De soolweer omvat namelijk het erf met de gebouwen en soms stukken land die daar direct aan vast liggen. Het vormt daarmee de kern van het bedrijf. De Kelnarij was ook akkoord met dit nieuwe testament. Bij het overige land verder weg hoort nog de Hengstenkamp in de Putter buiteneng (C26 en/of omliggende percelen ten oosten van de Harderwijkerstraat), broekvelden (die waarschijnlijk voor de Vanenburg lagen) en vier groeven in de kerk van Putten. Bessel verkocht voor zijn overlijden nog een zware eikenboom zonder toestemming van de Kelner en moet daarvoor 1/3 deel van de opbrengst afdragen. Achteraf blijkt dat de boom door de heer van Oldenaller gekocht was om er een molenas van te maken. Die had met zijn hovenier meester Arend al rechtstreeks overlegd met de Kelner. Het 1/3 deel van de opbrengst voor de Kelnarij was overigens algemeen gebruik en betekende dus niet dat er een boete was.

In 1710 woont Melis Jansen Wijncoop op de boerderij. Hij was een zoon van broer Jan. Vanwege het overlijden van broer Bessel moet er keur, zeg maar successie rechten, aan de Kelnarij betaald worden. De man van Aaltje, Henrick Gerritsen van Harseler, en hun zoon Gerrit Henricksen leveren daarvoor 50 gulden en een kintje (vaatje) boter ter waarde van 40 gulden. Aaltje en haar man Henrick verzochten om opvolger te worden van de helft van Wincoop met recht op de soolweer. Het wordt voor zes jaar aan Henrick Gerritsen en zijn zoon toegewezen. Dat gaf gedoe van de andere familie, de kinderen van broer Jan, die zich te kort gedaan voelden. We zagen net dat een van hen, Melis Jansen Wijncoop, boer was op de boerderij. Het liep uit op een proces.

In 1711 wordt Melis Jansen Wijncoop met het halve goed beleend, hij boerde er zelf. (Zie ook mijn verhaal “Volenbeek en het goed Ter Molen” waarin Melis eigenaar is van het naastliggende Volenbeek.) Aaltje Reijersen Wijncoop overlijdt in 1712, zoon Gerrit Henricksen van Harseler wordt mede beleend met de andere helft van Winkoop.

Anno 1717 vragen de bezitters van Winkoop aan de Kelner of ze een aantal eikenbomen die door een zware storm zijn omgewaaid te mogen verkopen.

In 1718 vertelt Grietje Jansen van Butseler-Wijnkoop op de Hof te Putten (de Kelnarij) aan de Kelner dat zij na haar overlijden haar aandeel in Winkoop in drie gelijke delen wil overmaken aan Bessel Jansen van Butseler, Hendrik Jansen van Butseler en aan het nog onmondige kind van Jan Melis van Wijnkoop. Er volgen nog meer wensen, zoals wanneer haar neef Jan Melissen van Wijnkoop het proces zal winnen, haar gehele aandeel naar de soolweer van Winkoop moet gaan.

In 1719 wordt het onmondige kind Reijer Gerrits van Harseler weer voor zes jaar beleend. Niet alleen voor Winkoop maar ook voor Klein Bokhorst in Diermen. Er volgen daarna de gebruikelijke oprukkingen aan hem.

Het Proces

Tussen 1712 en 1720 loopt er een proces over de opvolging op Winkoop (5755-1720-13). De aanklager is Gerrit Henricksen van Harseler, als vader en voogd van zijn onmondige zoon Reijer Gerritsen van Harseler. Die laatste was dus een kleinzoon van broer Reijer. De verweerder is de boer op Winkoop, Melis Jansen Wijncoop en het handelt om het halve abtsgoed Wijncoop.

Het draait om een, in mijn ogen, nogal gezocht argument. De Kellenaar zou niet persoonlijk aanwezig zijn geweest bij het tekenen van het testament van broer Bessel. Er waren wel de wettelijk benodigde twee leenmannen als geërfden in Veluwe op de Kelnarij die als getuigen mede ondertekenden. Maar pas daarna zou volgens de aanklager de abt op een ander moment en op een ander vel papier zijn schriftelijke toestemming hebben gegeven, de approbatie. Als bewijs wordt gegeven dat het woord Kellenaar niet voorkomt in het testament zelf. De andere kant zei dat de approbatie op een ander stuk papier was geschreven omdat het papier van het testament vol was. Probleem was dat die Kellenaar inmiddels dood was en dus geen verklaring kon afleggen. Het testament zou zonder dat de leenheer erbij was “krachteloos en zonder waarde” zijn. De opvolging zonder dit testament zou anders geweest zijn omdat dan het gewoonte recht van de Kelnarij zou gelden waarbij de oudste rechthebbende Winkoop in zijn geheel zou bezitten.

Dan verklaart de toenmalige onderkellenaar dat de Kellenaar in eigen persoon aanwezig was. Ook staat duidelijk in het testament “Ik Meinwercus Mullerus Kelner in den Hoff toe Putten verklaar dat voor mij en mijn leenmannen is verschenen Bessel Melissen Wijncoop etc.”. In het procesverslag van bijna 140 volgeschreven pagina’s met de nodige Latijnse bezweringen wordt de tegenstander aangevallen met termen als “vrevelmoedige verweerder” en dat de ander “het spoor ten enenmale bijster is”. Een van hen merkt op “het is kennelijk in dit soort verweren de gewoonte geworden om elkaar de huid vol te schelden en de tegenpartij met vinnige en vuile taal aan te tasten. Het Hof in Arnhem vindt dit ook een slechte gewoonte”. Ook toen al klachten over normen en waarden dus.

De uitspraak in 1720 geeft aan dat het testament geldig is en opgevolgd moet worden. Dat betekent dat Winkoop vanaf nu uit twee delen bestaat. Het is daarna vaak lastig te volgen in welke tak van de familie iemand thuis hoort, vooral omdat ze vaak dezelfde namen hebben. Ik geef hierna een aantal feiten zonder me te veel in de familie relatie te verdiepen. Het gaat me vooral om wat er leefde in die tijd.

In 1731 wordt Jan Melissen Wijncoop beleend met zijn deel. Hij heeft geen kinderen en maakt ook zijn testament op. Hij wil voorkomen dat zijn deel in de soolweer vervalt zoals gebruikelijk binnen de Kelnarij. Om dat te voorkomen schenkt hij het na zijn dood aan de diaconie van Putten. Zie ook 0203-863-0348 uit 1749 waarin hij ook nog de Cleyskamer (K405 406) van 2 morgen, het Holse Maatje (J103 104) van 1.25m het Smalle Kampje (J134) van 1.5m, 0.5m onder de dijk, het Engetje en de Wolberskamp (K215 216) aan de diaconie vermaakt.

Alles lijkt verder rustig te verlopen, totdat in 1755 Reijer van Harseler gepeind wordt (beslag gelegd) op zijn goederen (zie ook 0203-863-0063). Dat loopt voor hem goed af, ze hadden meer bezittingen. Zo te zien kan hij na een verkoping van een goed in Voorthuizen de achterstallige oprukkingen van 1748 en 1754 betalen. Maar in 1761 neemt hij weer een hypotheek op van 2000 gulden. De boer op Winkoop is nu Willem Grift.

Op 26 april 1764 kwam Jan Wijncoop verklaren dat het aandeel in Wijncoop wat zijn zuster Besseltje Henricks Wijncoop had, vanwege haar dood was gekomen op de soolweer bezitter Reijer van Harseler.

Op 28 april 1764 meldde Reijer van Harseler, gehuwd met Reintje van den Eng, dat hij het halve goed Winkoop met de soolweer en zijn net geërfde deel voor 2000 gulden had verkocht aan de heer Johan Cramer, muntmeester en eigenaar van het naastgelegen Volenbeek waar hij een landhuis had gebouwd. Cramer krijgt ook gelegenheid de andere helft van Winkoop te consolideren (samen te voegen) met de soolweer. Daaronder vallen ook 4 groeven in de kerk van Putten.

In 1780 verkopen Hessel Jacobsen en Jannetje Jans Wijnkop hun 1/8 part van (plus?) 1/16 deel van erf Winkoop aan Melis Wijnkop en Aaltje Wulfers (0203-864-0105). Dit laat zien hoe het bezit flink kan versplinteren. Niet veel later verkopen haar zusters Elisabeth Jans Wijnkop, Besseltje Jans Wijnkop en Maartje Jans Wijnkop elk eenzelfde deel.

In 1782 kwam zoon Elbert van de overleden Jan van Wijnkoop vertellen dat het halve erf Winkoop wat zijn vader bezat vervallen was op de kinderen, te weten Elbert, Bessel, en de zusters Weimpje en Annetje.

In 1788 betaalt de weduwe van Johan Cramer van Volenbeek de oprukking vanwege zijn aandeel in Winkoop. Door het overlijden van deze oud muntmeester kwam het nu op de nog onmondige zoon Cornelis Cramer.

In 1793 zijn Jan van Wijnkoop en zijn vrouw Hendrikje Elbertsen Ham overleden. Zij woonden op de Schardepot in Appel. Er is een boedelverdeling tussen de kinderen Elbert, Bessel en Weimpje Wijncoop. Hoewel het maar deels over Winkoop gaat geef ik toch wat feiten als die over Putten gaan. Elbert krijgt een huis aan de straat in Putten naast het huis van Gerbrand Brandsen, er hoort ook een boomgaard bij. Dan nog de Smitskamp (waarschijnlijk C1023) met nog meer (naamloze) percelen in de Puttereng. In de Arkemheense polder krijgt hij de Middelste Speulmanskamp (J941) van 2.5 morgen (2.2 ha), het Lange Kampje (J487), het Vreedje (J432) en een perceel met de naam Het Oude Huis (J6). Grietje krijgt onder meer de Bleut (J53) en het Nengetje (J64?) in de polder.

Weimpje van Wijncoop krijgt de Voorste Speulmanskamp (J940) van 2.5 morgen met nog een hoekje, en nog de Achterste Speulmanskamp (J942) van 3 morgen. Van het halve erf Winkoop zelf krijgt ze 3/8 deel.

Bessel Wijnkoop en zijn vrouw Beertje Berendsen Vliek krijgen het bekende Vensterhuis aan de Waterweg in Hoef (J85) met 16 morgen land waarvan 6 morgen in de Blaak (polderland achter het Vensterhuis), 3 morgen aan de Arlersteeg, 2 morgen De Dam (J429) in Diermen, 2 ? morgen de Wildeman en nog wat naamloze percelen. Hij wordt beleend met het halve goed Winkoop.

In 1802 betaalde de familie Cramer de oprukking voor het laatst en verklaarde Weimpje Wijnkoop dat de helft van haar deel van Winkoop zal vererven op haar broer Elbert en zijn vrouw Diesje Willems. De andere helft op de kinderen van haar (net) overleden broer Bessel.

De Kelnarij werd opgeheven in 1803 vanwege het nieuwe Franse gezag onder Napoleon. De macht van de kloosters en andere elites werd gebroken, dat was nu aan het volk zelf. Notarissen nemen de vastlegging van eigendommen over.

In 1806 heeft de pachter op Winkoop schulden ter waarde van bijna 1700 gulden aan diverse personen (0203-864-0109). Er wordt beslag gelegd op het te veld staande koren.

Notaris Heyblom 1814-19 Elbert van Wijnkoop wonend op Vetkamp in Nijkerk en andere familieleden o.a. Beert, Jan en Gijsbert bouwlieden (boeren) te Putten delen in de nalatenschap van hun zuster Wijmpje van Wijnkoop, overleden in 1812. Zij had nog 3/16 deel in Winkoop ter waarde van 500 gulden. Dat komt op een geschatte totale waarde van 2666 gulden.

Heyblom 1814-28 Verkoop van roerende goederen op Winkoop van de pachter Peel van der Heyden en zijn overleden vrouw Lijsje Hannesen van der Velde. De goederen werden getaxeerd door twee buren, mijn voorvader op Klein Norden Wienik Rikkerden Vliek en Stoffel Hannesen Bakker van de Veenhamel. Een paar voorbeelden. Een kaststel van vijf (vazen) 2 gulden 10 stuivers. Een spint (keukenkastje) voor 25 stuiver. 2 rooie neusdoeken voor een daalder. De smagten (gevlochten stromatten tegen inregenen van de hooiberg) voor 10 stuivers. Een zwartbonte veers 45 gulden, een zwart peerd 140 gulden, een bruin peerd 80 gulden. 63 schapen voor 8.50 gulden per stuk. 3 boerenwagens elk 50 gulden. Een ploeg 20 gulden. Peel van der Heyden blijft wel gewoon pachter op Winkoop.

Winkoop eigenaren 1, de kinderen van wijlen Johan Cramer en wijlen Catharina Vliekx, eigenaren 2, de kinderen van wijlen Elbert van Wijnkoop te Nijkerk.

Heyblom 1814-60 Het 1/8 deel plus 1/16 deel van Winkoop wat Elbert van Wijnkoop heeft nagelaten wordt verkocht voor 900 gulden aan Cornelis Johannes Josephus Cramer wonend op Volenbeek. Totaal zou dit 4800 gulden betekenen, dat kan kloppen als we zien dat er hier ook nog een extra plaggeveld met een schaapschot bij was.

Heyblom 1827-6-14 Veiling van 1/8 deel van Winkoop afkomstig van de voorouders Melis van Wincoop en Aaltje Wulferts van der Hoef. Het wordt gekocht door Berend Huibert Pasman voor 533 gulden. Hij verklaarde gekocht te hebben voor de diaconie van Putten. De totale waarde van Winkoop zou hiermee op 4264 gulden komen. Zoals we zagen bezat de diaconie al een deel van Winkoop.

In mei 1827 wordt Winkoop samen met Volenbeek en Groot Dasselaar verkocht door notaris Hendrik Frans van Meurs in Harderwijk (akte 1827-26 en 51). Eigenaar was Cramer van Volenbeek te Maasstricht. De nieuwe eigenaar van Winkoop is voor 4355 gulden Willem van Weede geworden, zoals we ook zien in het kadaster dat van start gaat in 1832. Jammer dat de percelen daarin niet per boerderij zijn uitgesplitst. Hij betaalde overigens 36633 gulden voor het geheel. Merk op dat wanneer er in het voorgaande kadastrale nummers genoemd worden, deze op basis van onderzoek zijn verkregen en dus geen harde feiten kunnen zijn.

Gunning 1833-47 Pachter Peel van der Heyden is in 1831 overleden en zijn tweede vrouw Elisabeth Wijntjes heeft het werk voortgezet. Nu heeft ze ook Evert, een broer van haar man, de laatste jaren tot zijn overlijden (ook in 1831) in huis genomen en verzorgd. Hij was daarvoor boomkweker op Hoogland. Zij zelf koopt in 1842 na gestopt te zijn met boeren een huis in het dorp met de naam Engzicht (C511 512) aan de huidige Molenweg (Gunning 1842-383).


Fig. 3 Het grondgebied van Winkoop in 1832. De omgeving heeft minder contrast. Onderaan de Beekweg met daarlangs de Schoonderbeek en daaraan rechtsonder de Papiermolen. Voor de bouw van de papiermolen in 1690 liep de beek helemaal noordelijk van de weg. Rechts ook de Telgterweg die toen een bochtiger route nam. Linksboven Volenbeek aan de Volenbekerweg. Die kruist de Zuiderveldweg. Beide zijn ook nu nog zandweg. De rode cirkel aan de Zuiderveldweg is een grafheuvel. Het Volenbeker voetpad kruist de Beekweg waar ook de beek oversteekt. Daarna gaat hij dwars over het Ovenhoekje (vanwege de buitenoven om het brood te bakken). De zicht allee van Volenbeek is nog steeds te herkennen wanneer men bij het spoor gekomen is (die pas in 1863 is aangelegd). Het Schaapschot is op een andere plek gekomen (zie tekst). Voor een kaart van heel Putten en meer verhalen zie mijn website https://historieputten.vandekraats.com

Gunning 1849-644 Willem van de Boom pachter van Winkoop verkoopt rogge van de Voorste Eng (B280), de Middelste Eng (B261) en van het Kip (B137). Niet alles wordt verkocht, een van de percelen wordt gekocht door Gerrit Horseling, papiermaker te Ermelo.

Gunning 1850-695 Willem van de Boom pachter van Winkoop verkoopt rogge van de Achtereng (B282?) en van een kleiner perceeltje Aan de Achterdeur (de Brink B307?).

Gunning 1851-725 Willem van de Boom pachter van Winkoop gaat het erf verlaten en verkoopt zijn roerende goederen.

Na het overlijden van Willem van Weede in 1861 gaat Winkoop naar zijn zoon Jonkheer meester Hendrik Maurits van Weede, kamerheer van de Koning (notaris Perk te Hilversum akte 198 20 juli 1861).

1866 0168_3892-0095 Nu is ook Hendrik Maurits van Weede overleden. Zijn vrouw is Anna Magdalene van Hangest d’ Yvoy. Hun kinderen zijn Willem Marcus, Catharina Johanna, Jacquline Pauline, Cornelia Maria en Rudolph Everhard Willem van Weede. Zij wonen op de Salentein in Nijkerk en bezitten naast de vele andere onroerende goederen ook Winkoop zoals uit deze inventaris blijkt. Jammer is dat de vermelde kadastrale percelen ook Volenbeek en TerBeek in Ermelo omvatten waardoor het onderscheid is verdwenen. Persoonlijk detail in deze akte, op Ephrata naast de Vanenburger papiermolen woont mijn voorvader Jan van de Kraats.

1872 0168_3903-0034 Boedeldeling van het gezin van Weede. Boerderij Winkoop met woonhuis, bakhuis, varkenshok, twee bergen en een bouwschuur B271, 272, 273 en 274 (dat moet de veel genoemde Soolweer zijn) groot 1.36 ha en ¾ deel van 37.3 ha B14, 19, 20, 21, 137, 256 t/m 270, 275 t/m 283, 305 t/m 312 en 570. Nu weten we precies welke percelen onder Winkoop vallen. Het overige ¼ deel behoort aan de Diaconie. Dan is er nog 5.7 ha land met de naam Broekhuizen wat verder aan de Volenbekerweg B101 t/m 106. In Ermelo ligt nog 3.61 ha H287 en H315. Alles samen 48 ha. Winkoop wordt toegewezen aan Rudolph Everhard Willem van Weede, samen met Groot Dasselaar, de Kleine en de Grote Roest, Ephrata en Terbeek. Moeder Anna Magdalene van Hangest d’ Yvoy krijgt o.a. boerderij Volenbeek.

1877 De schaapskooi van Winkoop is verplaatst van perceel B278 naar de noordwestelijke hoek van het bouwland B280. De restanten zijn daar nu nog aanwezig


Fig. 4 De Schaapskooi bij Winkoop op de nieuwe plek. Toen nog in goede conditie en in het open veld, nu een ruïne. De houtwallen werden toen elke 7 of 8 jaar gekapt.

Pliester 1885-1264 Houtverkoop Winkoop op de Tabakskamp (B263) en op de Roskam (B272?). Of werd de Roestkamp bedoeld (B256)?

Pieterse 1917-2595 De diaconie verkoopt haar ¼ deel van Winkoop aan Jonkheer meester Rudolph Everhard Willem van Weede, hofmaarschalk bij hare majesteit Koningin-moeder wonend in Den Haag. Het overige ¾ deel was al in kopers handen. De kadastrale percelen worden genoemd. We zien dat de nummers B272, 273 en 274 van de soolweer er niet bijstaan, die waren al van de koper. Eindelijk is Winkoop wat eigenaren betreft weer een geheel.

Na zijn overlijden in 1933 gaat Winkoop naar Johan Minnema van Haersma de With 1878-1965. Die noemen wij in Putten jonker Jan. Hij was de zoon van zijn zuster Jacquline Pauline van Weede, die getrouwd was met jonker Jan Hendrik van Haersma de With. De wat excentrieke neef jonker Frits volgde jonker Jan na zijn overlijden in 1965 op. In 1991 kwam het na overlijden van jonker Frits aan de familie Richardson als onderdeel van Landgoed Volenbeek. Nu is dat een stichting geworden.

Latere bewoners van Winkoop

Willem Grift in 1761.
Jan Geursen tot 1772.
Wouter Buijs 1773-??
Hendrik Hendriksen en Gerritje Aalbus in 1806.
Peel van der Heyden en zijn vrouw tot 1842.
1842 Wilhelmus van de Boom en Helena van Kleinwee.
1851 Hendrik van Strieland en Nennetje van Hall.
1881 Lambertus van Strieland en Geertje van Renselaar, zij emigreerden naar Amerika.
1889 Dries van Nijhuis en Jannetje van Diest.
1927 Hendrik van Nijhuis en Gijsbertje van Nijhuis.
1954 Dries van Nijhuis en Aleida van Dasselaar.

Na het overlijden van Dries en Aleida wonen zoon Lex van Nijhuis en zijn vrouw Ingrid op de boerderij. Zij zijn in een stadium dat ze langzamerhand stoppen met het bedrijf. We zijn benieuwd wat de toekomst van Winkoop zal zijn met alle beperkingen die aan boeren in de natuur worden opgelegd.

De opa van Lex, Hendrik van Nijhuis is te zien op de omslagfoto van “Putters en Puttenaren” deel 1. Het is Ossenmarkt en hij heeft zijn fiets aan de hand met aan het stuur een ouderwetse “zakkentas”. Die was namelijk van jute gemaakt, net als de zakken waar boeren het graan in bewaarden.

Pachtboek Cramer

Er is van de familie Cramer op Volenbeek een pachtboek bewaard gebleven waarin behalve informatie over Volenbeek ook zaken van Winkoop staan geschreven

(GA 0471-3 stukken betreffende het erf Wincoop 1759-1819).

Behalve pachtinformatie staan er ook verkopen van hout uit de houtwallen en bossen in. Dit levert ook nog enkele namen van percelen op.

Zo zien we op Winkoop elke 7 á 8 jaar houtverkopen “staande op beide engen en hetgeen op het Volenbeker land aan schiet op het vaargat (uitrit) afscheidende”. Tussen 1766 en 1804 loopt de prijs op van 290 naar 646 gulden. Ook toen was er inflatie, maar over die tijd een milde 1 procent per jaar.

Een volgend perceel betreft “het holtgewasch aan de Papiermakersbeek naar de Roest heen op”, dus langs de Beekweg.

Dan “het holtgewasch om het Schotcampje bij de berg en langes het veldt, stomp afscheidende bij het vaargat dat op het schot aanloopt, alsmede het elshout staande in de Winkoperbroeken bij Vanenburg”. Het vaargat moet hier de achteruitrit zijn naar de Zuiderveldweg.

“het holtgewasch van elsenholt staande onder de nieuwe beuken hoffstee”.

“wegens geboscht eijken seven jaarig heghout om het land de Kip, 214 gulden”. In mijn verhaal over Volenbeek schreef ik: Het land de Kip wordt kort daarna verkocht aan buurman Johan Wyncoop. Veel mensen kennen het als het laatste stuk weiland aan het Volenbekervoetpad voor dat je bij het spoor komt.

Er wordt ook flink voor gewerkt om de houtwallen in goede staat te houden, het gaat niet vanzelf zoals we tegenwoordig vaak denken. Voor het plukken van (ongewenste) varens uit de houtwallen ontvangen Jan en Gosen Putt samen 3 gulden en 5 stuivers voor zes en een halve dag werk. Voor 3 dagen peppelen poten wordt 1 gulden en 4 stuivers betaald. Voor het spitten van 89 roeden (0.13 ha) bosgrond wordt 26 gulden betaald. Als er oer in de grond zit spit men 4 a 5 voet (1.25m !!) diep en wordt voor 22 roeden 11 gulden betaald. Voor aankoop van 2000 elzen looien (stekjes) betaalt men ruim 10 gulden. De Kellenaar levert 86 beuken heesters voor krap 11 gulden. Jan Cramer zelf levert 4000 eijke stiklootjes voor 16 gulden en 500 beuke stiklootjes (steek-lootjes) voor 5 gulden. Voor 1400 kuilen graven, vermoedelijk om grotere boompjes te planten, 15 gulden.

Voor de pacht is Cramer zowel ontvanger als betaler. Zo betaalt hij in 1773 aan Jan Wincop te Nijkerk voor 3/8 part in de helft van de erve Wincop ruim 24 gulden. Aan Melis en Jan Wincop te Nijkerk voor 2/8 part in de helft van de erve Wincop ruim 16 gulden. Eenzelfde bedrag gaat naar de diaconie die ook 2/8 part in de helft bezit. Het jaar daarop komt er voor 2/8 part in de helft ongeveer 100 gulden bij voor verkocht houtgewas. Voor 3/8 part in de helft 150 gulden. Van pachter Wouter Buijs ontvangt hij jaarlijks voor pacht van het land 130 gulden en voor de pacht van huis en erf 30 gulden. Daarvoor was overigens Jan Geursen in ieder geval pachter van 1766 tot 1772, mogelijk ook al daarvoor.

Dan zijn er in die tijd diverse uitgaven voor onderhoud aan het schaapschot, zoals 5 vimmen (vrachten van elk 105 schoven) en 81 schoven dakstroo voor 34 gulden. De heren A.E. van Dompselaar en Bart van Nijendaal leveren voor 57 gulden hout. Deze schaapskooi is zoals we al lazen in 1877 op een nieuwe plek gebouwd.

Tenslotte

We hebben een inkijkje gekregen in de lange geschiedenis van boerderij Winkoop in Norden. Voor 1600 heette hij nog Bergmansgoed en Cootmansgoed met ooit als gezamenlijke eigenaar Willam van Volenbeek. Hoe het zat met die twee goederen is geheel duister. Wel bijzonder dat Winkoop nu onderdeel is van Landgoed Volenbeek. Na 1600 blijven de voornamen Bessel en Melis geliefd, niet geheel verwonderlijk want de familie Wijnkoop trouwde zich namelijk in. Muntmeester Johan Cramer, eigenaar van het naastgelegen Volenbeek koopt zich eind 1700 in met de helft van Winkoop. Later koopt hij meer delen. In mei 1827 wordt Winkoop samen met Volenbeek en Groot Dasselaar gekocht door Willem van Weede. Dat is het begin van de grootgrondbezitters periode zoals we al vertelden.

Dat mensen vroeger in ruige tijden leefden waarbij de messen al gauw getrokken werden lazen we ook. Grote ego’s en eerwraak bestonden toen ook. In onze tijd lijkt dit na een lange rustige tijd weer ingang te vinden.

Wat opviel was de steeds grotere opsplitsing binnen de familie Wijnkoop, waarbij delen van delen ontstonden. Dat is mooi als het goed blijft gaan, maar hier zagen we dat er uit ongenoegen een deel aan de diaconie geschonken werd. Tegenwoordig nemen we een hypotheek bij een bank. Dat kan ook weer nadelen geven als er achterstallige betalingen zijn en de bank geen genade kent.

Bij de verkoop van onroerende goederen bedacht ik dat er een verband moest bestaan tussen het woord smagten als middel tegen inregenen van de hooiberg en het woord smachten bij liefdesgeschiedenissen.

Dat de tweede vrouw van Peel van der Heyden Elisabeth Wijntjes het boerenbedrijf na de dood van Peel nog ruim 10 jaar heeft voortgezet, laat zien dat vrouwen ook vroeger niet zo zwak stonden als nu vaak wordt gesuggereerd.

Het pachtboek van Cramer vertelde ons iets over landerijen en houtwallen. De oude Hendrik Nijhuis vertelde mij ooit dat de opbrengsten van de houtverkoop vaak hoger waren dan van de graanverkoop. Dat verklaart ook de enorme hoeveelheid arbeid die er in werd gestopt om een goed houtgewas te telen. De houtwallen werden vaak schoongemaakt, alle onkruid en ongewenste soorten werden dan verwijderd. Vooral het spitten tot wel 1.25 m diep om de oerlaag te breken maakte indruk op mij. Die keiharde ondoordringbare oerlaag ontstaat als het ijzerrijke kwelwater omhoog komt en in contact komt met zuurstof. Nu zou het verbreken ervan met machines goed te doen zijn.

Mocht u nog eens in de buurt komen, bijvoorbeeld als u het klompenpad “Norderpad” neemt, denk dan aan alles wat u las in dit verhaal over boerderij Winkoop.

Overzicht van al mijn verhalen