Klik hier voor de printbare PDF-versie van dit verhaal
|
Jan van de Kraats Boerderij Klein Hell ligt, zoals verwacht, in buurtschap Hell en wel aan de Donkeresteeg. Het is altijd een abtsgoed geweest van de abdij te Paderborn, de pacht moest betaald worden op de Kelnarij in Putten. Omstreeks 1325 is er een lijst van belastingbetalers in het Gelders archief (0001-4046) waarin we de namen Reiner van Helle, Bessel van Helle en Henric Helle, later geheten Henricus de Helle tegenkomen. Diezelfde namen komen voor op een lijst van de Kelnarij uit 1357 (0324-37C). Henricus van Hell kan ik met een omwegje koppelen aan een ons nu bekende boerderij. Gerrit van der Helle was in 1379 bezitter van Groot Hell, maar in 1414 was dat Henrick van der Helle. Naar plaatselijke gewoonte heette zijn grootvader wellicht ook zo, dan zou het kunnen kloppen dat die in 1325 bezitter was. Boerderij Rookhuizen heette voorheen meestal Aalt Wienekengoed, maar nog langer geleden Besselsgoed van Hell (0324-40A-121, regest 70A1). Reiner van Hell kunnen we koppelen aan het huidige Klein Hell omdat de Kelnarij een lijst van opvolgers geeft met Reinerus de Hell anno 1389 als eerste (0324_138-0007). 1389 Reynerus de Hell Met deze laatste Claas Henricksen van Wenkum komen we in de buurt van ons verhaal. Hij trouwde met Henrikje, de dochter van Herman van Oldenbarnevelt en Dyle van Gagelwijk. Claas had een zuster Liesbet, ze worden meer officieel ook regelmatig Nicolaas en Elisabeth genoemd. Liesbet is getrouwd geweest met Peter de Gulicker, maar die is in 1573 in Holland overleden. Claas had een dochter Engel die naar haar overgrootmoeder genoemd was. Toen Claas overleden was kregen die twee vrouwen, Liesbet en Engel, elk de helft van Klein Hell. Maar ook de jongere Engel overlijdt in 1618 zonder kinderen na te laten. Zij was gehuwd met Willem van Hardevelt, burgemeester van Amersfoort. Zij had op haar doodsbed beschreven dat zolang haar man leefde, hij het vruchtgebruik kreeg van Klein Hell maar het blote eigendom ervan vermaakte zij aan haar neef Casijn van Oldenbarnevelt. Engel had daarnaast nog via Dyle van Gagelwijk een derde deel van Gagelwijk en Middelburg (of Klein Gagelwijk) en een erf geheten Tellicht in Ermelo in bezit. Willem van Hardevelt voelde zich kennelijk niet erg verbonden met Klein Hell en hij verkoopt zijn vruchtgebruik aan Liesbet die zich nu als volledig eigenaar voelt want de andere helft had ze al in bezit. Zij laat zich bij de Kellenaar kwalificeren met Klein Hell zoals dat heet, het ligt nu officieel vast. Toch komt er gedoe want het belang van Casijn van Oldenbarnevelt als eigenaar op de langere termijn lijkt zo onder de tafel geschoven.
Hout op erf Klein HellBoerderijen op de Veluwe hadden vaak eikenbomen op het erf geplant. Die waren bedoelt als timmerhout voor de vernieuwing van de boerderij, of als een lange termijn belegging voor in tijden van nood als er geld nodig was of. Bij boerderijen van het klooster Paderborn was het oogsten van dit eikenhout aan strenge regels gebonden. De Kellenaar moest toestemming geven en eiste zijn deel wat meestal neerkwam op 1/3 van de opbrengst. Behalve op het erf waren er ook houtwallen waar meestal snelgroeiend hout van mindere kwaliteit groeide, zogenaamd zachthout, geschikt voor brandhout e.d. Liesbet had van de Kellenaar kennelijk toestemming gekregen dat zij brandhout voor zichzelf mocht laten kappen. Maar zij liet het ook verkopen bij de weerd (van de herberg) in Hell, Wouter Woutersen. Maar nu overlijdt na Engel in 1622 ook haar tante Liesbet zonder kinderen na te laten. Klein Hell vererfde op haar neef Aalt van Steenler. Casijn van Oldenbarneveld laat zich na de dood van Liesbet ook niet onbetuigd en laat enkele vrachten essen en elsenhout hakken en bij hem thuis brengen. Na een dag of twee, drie was hij weer op Klein Hell gekomen met meester Jelis timmerman uit Nijkerk met zijn knecht. Zij hakken een beste eikenboom om, laden hem op een wagen met paarden er voor om hem naar Nijkerk te brengen. Maar toen was Aalt van Steenler met de scholt van Putten met twee helpers gekomen om dit te verbieden. Steenler had vervolgens de wagen "omgegraven" en de boom er zo afgekregen. Cornelis van Coot (onderscholt?) had hem daarbij geholpen. Met dat “omgegraven” wordt waarschijnlijk bedoeld dat ze naast de achterwielen een gat groeven zodat die wielen daar inzakten en de wagen zo scheef kwam te staan dat men de eikenboom er af kon laten glijden. Helaas was de overwinning van korte duur want na zonsondergang toen Aalt van Steenler weg was kwam Van Oldenbarnevelt weer terug en heeft de boom weer opgeladen. Nu escaleerde de zaak en werd het oorlog. Op een dag in mei kwam Oldenbarneveld met tien man sterk weer op Klein Hell. Zij waren daar met wagens en paarden en gewapend met 2 geladen roeren (geweren) en andere wapens. De geweren hebben zij verschillende keren afgeschoten. Hout dat door houtkopers al was omgehakt hebben ze opgeladen en zo vijf of zes vrachten weggereden. Toen die houtkopers kwamen om verder te gaan met hun werk zijn die onverrichter zake terug gegaan. Er komt een rechtszaak. Het ProcesIn het proces in het jaar 1624 (0124_5097-0675) komen verschillende getuigen aan het woord. Looch Gerrits en Jelis Gerrits Snapper verklaren, op verzoek van Aalt van Steenler die een volmacht had van zijn nicht Liesbet van Wenkum, dat zij in 1619 op Klein Hell waren. Klein Hell was na het overlijden van Engel op Liesbet gekomen met consent van de Kelnarij. Zij hebben op het erf hard en week hout afgehouwen en geknot. Ook hebben ze in de hof pruimenbomen, kersen- en appelbomen geknot, pruimenbomen weer in gepoot, gespit en gezaaid en alles wat met de aanvaarding van het goed van doen is. Alles tot bewijs dat het nu helemaal van Liesbet was. Petrus Mutard, de Kellenaar, komt met een verklaring dat Liesbet als bezitter van Klein Hell op het erf 10 of 12 eiken mocht kappen en/of verkopen voor de reparatie van de gebouwen. Er is een verklaring van Liesbet dat zij niet op de hoogte was van de wens van Engel dat haar neef Casijn van Oldenbarnevelt haar deel van Klein Hell zou krijgen. In 1619 heeft ook Casijn van de Kellenaar, nu ook als gekwalificeerde bezitter, toestemming gekregen om eiken te kappen op Klein Hell. Hij neemt het officieel in bezit door het afhakken van takken en weit (tarwe) en het vergraven van aarde. Enkele houtkopers verklaren dat als ze in het verleden betaalden voor hout ze niet wisten of Liesbet en Engel dit “netje” deelden. Maar ene Hendrik van Essen, houtkoper uit Harderwijk, getuigt dat hij zowel van Liesbet als van Engel verschillende keren hout van Klein Hell gekocht heeft. Hij heeft de vrouwen elk de helft betaald. Volgens de pachters van Klein Hell gebeurde dat ook met de pacht. De vrouwen waren ook altijd beiden aanwezig bij het vergarven van de korenoogst. Hierbij ging 1 op de 3 bossen als pacht naar de Kellenaar. De afloop van het proces is niet bekend maar er wordt later nog op terug gegrepen. Zoals het soms gaat in het leven is ook Aalt van Steenler al snel overleden. Hij was gehuwd met Maria van Eck en ze hadden een zoontje gehad dat ook jong overleed. Klein Hell komt in de erfenis op Aaltje van Steenler, die getrouwd was met Rijcket van Nulde (de moeder van Aaltje was Agnes van Wenkum). Zij hebben een zoon Hendrik van Nulde die in 1624 als opvolger bezitter wordt van Klein Hell. In 1639 is er weer een proces (0124_5172-0189). Hendrik van Nulde is inmiddels overleden en zijn weduwe Gerarda van Twiller is bezitter van Klein Hell. Zij hadden samen een zoon Richard van Nulde. De reden van het proces is een hypotheek die Liesbet van Wenkum in 1621 op Klein Hell had genomen. Dat is op zich minder van belang maar er worden hierbij weer zaken op een rijtje gezet over het eigendom van Klein Hell. Een tweede proces volgt snel (0124_5172-0254). Hier maakt men er een punt van dat Hendrik van Nulde bezitter werd van Klein Hell zonder dat zijn voorouders erfgenamen zijn geweest van Henrick Claesen van Wenckum en Elisabeth van Dompseler. Hij zat dus niet in de bloedlijn van de familie Van Wenkum. In dit proces werd tussen neus en lippen door nog wel aangegeven waar Klein Hell ligt. Oostwaarts ligt land van Gerrit van de Hazel en de gemene weg, zuid boerderij de Hazel, west en noord Maas van Tinteler met boerderij Tinteler. Ook nu is dat de plek waar we Klein Hell kunnen vinden. Verponding 1650In 1650 is er een taxatie voor de belastingen wat ons leert wat voor bedrijf het was: Henrick Woutersen heeft van de weduwe van Henrick van Nuld (is Gerarda van Twiller) in pacht huijs, hoff van ½ mergen. Met 14 morgen bouwland mag je dit een groot bedrijf noemen. Dit oppervlakte aan bouwland verklaart ook de vier paarden, nodig op het land te ploegen en te bemesten. De drie koeien liepen op het lagere land dat niet geschikt was voor akkerbouw. Redelijk hegholt slaat op de aanwezige houtwallen om de bouwlanden heen. Daarna volgen de jaarlijkse vaste afdrachten aan de Kelnarij en de Graaf, zeg maar de provincie. En VerderDe gemoederen, over wie de eigenaar van Klein Hell is, zijn zelfs in 1652 nog niet bedaard. In feite zijn er nog steeds twee helften aan twee families. Het komt nu tot een proces tussen Richard van Nulde en Herman van Oldenbarnevelt. Richard van Nulde komt met de boodschap dat een Kelnarijgoed niet gesplitst mag worden. De twee helften hadden dus al lang weer samengevoegd moeten worden om een levensvatbaar familiebedrijf te houden. De ingewikkelde juridische feiten die aangevoerd worden gaan mij boven de pet, waarbij het niet helpt dat men om extra indruk te maken vaak overgaat op Latijn. Gememoreerd wordt dat Claas Henricksen van Wenkum trouwde met Henrikje, de dochter van Herman van Oldenbarnevelt. De huidige Herman, eiser in dit proces, is een zoon van Casijn van Oldenbarnevelt die de erfenis van Engel van Wenkum kreeg. Zelfs het proces over het hout weghalen op Klein Hell komt weer uitgebreid aan de orde. We lezen nog dat Engel vaak ziekelijk was. Bloedlijnen vanaf de Claes Henrixen van Wenckum uit 1543 worden kritisch bekeken. Een punt van belang schijnt te zijn dat het testament van Engel is getekend voor de Kellenaar en twee getuigen. Om rechtsgeldig te zijn dat had moeten gebeuren voor de scholt en met vier getuigen. De uitspraak van het hof maakt van Richard van Nulde de verliezende partij. De vererving van het overleden zoontje van Aalt van Steenler op Aaltje van Steenler die getrouwd was met Rijcket van Nulde was een stap te ver. Richard van Nulde moet afstand doen van Klein Hell. De deling in twee helften is verleden tijd. In 1659 wordt jonker Geurt van Oldenbarnevelt bezitter van Klein Hell, hij was een zoon van Casijn. In 1664 is hij overleden en neemt zijn zuster Geertruid van Oldenbarnevelt, eerst nog gehuwd met Henrik Vlijer, het over. In 1667 is er proces tussen Henrik Ulger met zijn vrouw Geertruid van Oldenbarnevelt tegen Arnold van Lamsvelt betreffende het derde deel van Gagelwijk en Middelburg dat voortkwam uit de erfenis van Engel van Wenkum (0124-5499-0002). Ook hier worden weer veel oude koeien uit de sloot gehaald. Voor de boerderijen in Gerven is het wellicht interessanter dan voor Klein Hell. Een sententie (uitspraak van het Hof) kan ik niet vinden. Het verdere verloop vinden we in de map Klein Hell van de Kelnarij (0324-0138). Hier lezen we dat Henrik Ulger met zijn vrouw Geertruid van Oldenbarnevelt zowel Klein Hell in zijn geheel als Gagelwijk en Middelburg in zijn geheel hebben verworven. Klein Hell verkopen ze meteen door aan Breunis Ham en Evertje Jans. Voor het versterf van zwager Geurt van Oldenbarnevelt wordt als keur een paard geleverd aan de Kelnarij. Ook toen kende men al het verschijnsel successierechten. Een notitie getuigt van vrijdom van Klein Hell, verkregen in het jaar 1597. Dit is opmerkelijk want later staat het als een volschuldig hofhorig goed te boek. Heeft de Kelnarij dat stiekem weten terug te draaien? 1679 Breunis Ham is overleden, in 1689 komt Klein Hell op zoon Jan Breunissen Ham. 1720 Jan Breunissen Ham is overleden. Als oudste op de straat (oudste van het rijtje kinderen) wordt Gerrit van Rijs beleend met Klein Hell (0324_250A-0614). Hij was de vader van de hierna te noemen Wolterus van Rijs. 1729 Wolterus van Rijs, nog onmondig, wordt beleend met Klein Hell (0324_250A-0843). Hij is later getrouwd met Beatrix Ham, een zuster van Jan Breunissen Ham. 1748 Wolterus van Rijs (Rijs wordt vaak geschreven als Ries zoals het ook uitgesproken werd) en Margrietje Bessels (waarschijnlijk een foutje, later heet ze opeens Rengers) stellen een testament op (0324_250B-0342). 1752 Wolterus van Rijs is nu gescheiden van Margareta Rengers (0324_250B-0412). Zij en hun kind krijgen een jaarlijkse uitkering. Ook is er sprake van schulden die zij gemaakt had. Hij blijft in bezit van Klein Hell. Genoemd wordt ook nog 3 morgen land, de Meskampen (H520, 524) waaraan wij de naam Mestkampersteeg te danken hebben. Vroeger sprak men overigens niet van mest, maar van mist. De officiële naam Meskampersteeg is dus op zijn plaats. 1754 Wolterus van Rijs verkoopt Klein Hell aan zijn ex Margareta Rengers (0324_250B-0468). Dit zet de zaak in een ander daglicht, de vorige keer zijn we misschien op het verkeerde been gezet omdat er sprake was van schulden die zij gemaakt had. 1755 Margareta Rengers maakt een gesloten testament (0324_250B-0488). 1783 Margareta Rengers is overleden. Pandschap op Klein Hell door Gerrit van Ries en Johanna Catarina Bekking (0324_250B-0963). 1786 Gerrit van Ries en Johanna Catarina Bekking verkopen Klein Hell, groot 25 morgen (bijna 20 ha), aan Albert Aalten en zijn vrouw Evertje Aalten (0324_250B-1011). Als Albert in 1802 is overleden trouwt Evertje met Lubbert Jansen Meiling. In 1805 is ook Evertje Aalten overleden (iedereen gaat dood in dit verhaal). 1809 Boedeldeling Albert Aalten en Evertje Aalten (0324_250C-0216). Nu is zoon Lubbert Aalbertsen bezitter van Klein Hell. In 1818, na overlijden van zijn oom Evert Aalbertsen van Hell, is hij ongehuwd bewoner op Klein Hell met een oppervlakte van 25 morgen (Memsuc 1-0009). 1832 Lubbert Aalbertsen van Hell is nu getrouwd met Janna Gerrit Wakker en staat bij begin van het kadaster als eigenaar van Klein Hell geregistreerd (H735). Het is in totaal bijna 36 ha groot waaronder 16 ha bouwland, bijna 6 ha weiland en ruim 10 ha hakhout.
Bijna 30 jaar later is Janna Gerritsen Wakker de weduwe van Lubbert Aalbertsen van Hell overleden (Beijerman 1860-145). Rond die tijd blijkt Klein Hell nog steeds bijna 36 ha groot maar daarbij nog 29 ha heide. Nadat ook Lubbert Aalbertsen van Hell is overleden komt Klein Hell in 1863 op zoon Aalbert van Hell. Het goed wordt in 1871 door hem verkocht aan Bessel Staal en Jannetje Woudenberg (Osselen 1871-473). Pachters zijn Reijer van de Pol en Aaltje van de Brink en vanaf 1879 Breunis van Renselaar en Gerritje Vliek. Die laatsten kwamen van boerderij de Grote Hooft in Norden die daarna afgebroken werd. In 1899 is Bessel Staal overleden en komt het op zoon Roelof Staal en Catharina Margaretha van Diest (Pliester 1899-3815). In 1902 is er een veiling van Klein Hell (Pieterse 1902-0129). Het goed is met losse percelen ruim 53 ha groot en nog steeds verhuurd aan Breunis van Renselaar. Klein Hell wordt toegewezen aan Jan van Diest en Annetje van Amerongen (Pieterse 1902-0139). Die gaan daar ook wonen. In 1928 komen nieuwe bewoners Teunis van de Langemheen en Maria van het Hof op Klein Hell. TenslotteTwee kapiteins op een schip geeft de nodige problemen zoals we hebben gezien bij het wegvoeren van hout op Klein Hell. De realiteit was dat het toen regelmatig voorkwam dat meerdere investeerders een boerderij in bezit hadden. Er kon dan alsnog een pachter zijn die het eigenlijke werk deed. Het zal vooral gelegen hebben aan de onderliggende verhouding en aan het feit dat sommigen als hobby het voeren van rechtszaken hadden om daarmee hun bezit te vergroten. Het schieten met de geweren is waarschijnlijk niet exact op de tegenstander gericht geweest, maar vooral bedoeld om angst aan te jagen.
We hebben de geschiedenis van Klein Hell gevolgd van 1325 tot 1928. Dat is ruim 600 jaar, tot nu zou dat 700 jaar zijn. Maar we kunnen gerust aannemen dat het voor 1325 al eeuwen als boerderij in gebruik was. Dan zit je al zo op 1000 jaar. De toekomst van de boer is erg onzeker. Nu in deze tijd wordt het bestaan van bijzondere plantjes en beestjes belangrijker geacht. We zullen moeten afwachten of we deze luxe positie kunnen blijven volhouden. Ik wens Klein Hell in ieder geval nog 1000 jaar toe. |