Klik hier voor de printbare PDF-versie van dit verhaal
Jan van de Kraats In Beisteren aan de Stenenkamerseweg stond tot na de Tweede Wereldoorlog een inmiddels oud geworden boerderijtje. Iedereen noemde het de Kraak, meer officieel heette het Krakengoed. Maar die naam gaf in het verleden alleen maar verwarring met Hein Krakengoed in Halvikhuizen. Ooit (ergens voor 1500) heette het Maas Spruitengoed naar een toenmalige bezitter van het goed. Het was een zogenaamd volschuldig hofhorig goed van de abdij Abdinkhof in Paderborn. De pacht moest betaald worden aan een dependance hiervan, de Kelnarij in Putten. In onze vaak gebruikte lijst van oudste belastingbetalers uit 1325 kunnen we geen bewoner van Maas Spruitengoed ontdekken. Iets later tussen 1343 en 1357 komen we wel veel namen tegen die we echter nog niet aan een goed kunnen koppelen: Wolterus Sprute, Obertus Sprute, Thometus Sprute, Breunis Sprute (0001-2656 en 2657). Merk op dat personen met de naam Krake voor 1500 wellicht een band hebben met Hein Krakengoed in Halvikhuizen (het latere Rodengoed en Bleiskamp of Cleiskamp) maar niet met onze Kraak. In Munster komt in een overzicht uit 1389 van Abdinkhof boerderijen in Putten en omstreken Bona Spruitens (Spruitengoed) tegen (453B fol. 57). Een aanwijzing waar het zou liggen ontbreekt.
Omstreeks 1400 zien we in 0324-37D-0001 na een Agri (akker) in Beisteren, Gerardus Spruten met een jaarlijkse afdracht van 1.5 molder silige (rogge). Vanaf nu zien we ook Spruten guet regelmatig terugkomen (40A-0034). Omstreeks 1460 lezen we voor het eerst de naam Maas Spruiten: Boer van Norden heeft (is getrouwd met) de dochter van Maes Spruijten (0001 2684-0017). Dit wijst naar een persoon en nog niet naar een boerderij. In die zelfde tijd is er kennelijk een nieuw Krakengoed verschenen: Jan Kraick abdiss man hz (heeft) Cleijn Crakenguet dat gecomen is vuijt Reijner Hillens guet (0001_2690-0056, ca 1465). Jan Kraak kwam mogelijk van Hein Krakengoed. Hij was een abdis man, dus horig aan het klooster te Elten. Uit Reiner Hillensgoed was blijkbaar een nieuwe boerderij ontstaan die Klein Krakengoed heette. Reiner Hillensgoed bleef lang daarna nog voortleven door het Hillenhek. Dat stond op de zogenaamde Beisterense Brink tussen het einde van de Stenekamerseweg en de weg naar Putten. Het sloot de weg af zodat loslopende koeien en schapen op de heidevelden niet het akkerland van de Puttereng konden bereiken. Het is dus aannemelijk dat Klein Krakengoed op de plek van de Kraak lag zoals wij die nu nog kennen. Maas Spruiten was waarschijnlijk een van de eerdere bewoners. Klein Krakengoed klonk wel erg hetzelfde als het Hein Krakengoed in Halvinkhuizen. Een goede reden om in de volksmond de naam De Kraak te gebruiken. De naam Klein Krakengoed ben ik verder nooit meer tegengekomen. Het eerste overduidelijke bewijs van de overgang van Maas Spruitengoed naar de Kraak zien we in een inventarisatie van goederen die de hertog laat noteren uit het jaar 1532 (0001-2695): Maes Spruten guet heft Bronis Kraken ind is kemerlinck myns genedigen lieven heren, ind syn wyff is onhorich dar na, ind sal den Abt geven na oeren doet eynen kuer van ij goltgulden, ind dye misbrukinge want sy arm waren. heft dye Abt hem propter deum quijt gescholden Maas Spruitengoed heeft nu in 1532 als eigenaar dus Bronis Kraken en hij is waarschijnlijk een afstammeling van Jan Kraak. Myn genadigen lieven heren slaat in dit geval op de Hertog van Gelre. Bronis Kraken is een kamerling van de hertog, dat is een ingewikkelde staat van horigheid die we meteen willen vergeten. Zijn vrouw is niet horig aan de status van de boerderij, wat een abtsgoed of Kelnarijgoed is zoals we zagen. Dat levert misbreuk (boetes) op. Als zij overlijdt moet ze de abt 1.5 gold gulden geven als keur, zeg maar successie recht. Maar kennelijk waren de bewoners erg arm want zij kunnen de misbreuken niet betalen. De abt streek over zijn hart en heeft die “propter deum” (in de naam van God) kwijt gescholden. Van een kale kip kun je ook geen veren plukken. Het ProcesIn het jaar 1549 is er in Arnhem een zaak van Reiner Spruit tegen Breunis Breunissen (0124_4918-0109). Het handelt om het abtsgoed Breunis Breunissen Kraak in Beisteren. Breunis Breunissen woont daarop. We mogen aannemen dat zijn volledige naam Breunis Breunissen Kraak was omdat, zoals we eerder zagen, zijn vader Bronis Kraak heette. Het abtsgoed Breunis Breunissen Kraak heette eerder Maas Spruitengoed. De boerderijnaam volgde in die tijd dus de naam van de eigenaar. Eiser is Reiner Spruit, een kleinzoon van Maas Spruiten, hij verklaart dat hij de oudste zoon is van zijn overleden ouders. Zijn vader heette Henrick Spruit en zijn moeder heette Aleid. Het abtsgoed Breunis Breunissen Kraak in Beisteren (wat zijn familie bezat) zou op hem vererfd zijn. Hoe dat juridisch in elkaar steekt weet hij niet. Ik zelf ben maar een arme scamel ondersaat met lyff noch goed. Zijn tegenstander Breunis Breunissen, die nu op de boerderij woonde, verklaart met zijn moeder dat het abtsgoed waar Reiner het over had eertijds aan zijn ouders toebehoorde. Hij (Breunis) bezit het niet met kwade bedoelingen, maar met deugdelijke papieren. Hij heeft het bovendien al vele jaren ongestoord in gebruik. Want zijn vader en moeder hebben het wettelijk en met toestemming van de abt gekocht. Hij heeft ook netjes de breuken (boetes) die op het goed stonden betaald zoals in de registers van de Kelnarij te zien is. Reiner Spruit zegt dat Breunis Breunissen maar met bewijzen moet komen. Hijzelf is het naaste bloed van Maas Spruiten en die had het weer van zijn ouders. Laat de tegenpartij maar een rechtsgeldig koopcontract tonen. Wij geloven daar namelijk niets van. Hofhorige eeuwige en erfelijke goederen zijn niet weerloos (rechteloos). Een overdracht moet tenminste met toestemming van de hoge heren gedaan zijn en geregistreerd worden. Anders zou het een pandschap (loze koop staat er) zijn die door terugbetaling van de koopsom weer ongedaan kan worden gemaakt. Men beweert namelijk dat de vader van Breunis en zijn nu nog levende moeder op een mooie dag in het openbaar in de kerk te Putten "haldinge" gedaan hebben en het goed van acht erfgenamen gekocht hebben door ieder vier gulden te geven. Aangezien een van hen nog leeft (de moeder), laat die maar onder ede bekennen dat het zo gegaan is. Kennelijk was de begeerlijkheid van hun hart zo groot dat ze zich nergens om bekommerd hebben en zo hun zaligheid verkorten. Reiner noemt ook ene Albertus, hij is een hendter (hanteerder?) van de registers. Hij hoopt maar dat er geen registers vervalst zijn. Hij gaat er vanuit dat genoegzaam bekend zal worden dat zij de echte opvolgers van Krakengoed zijn en dat het geen koop maar een verpanding geweest is die ongedaan gemaakt kan worden. Blijft nog het probleem dat de 32 guldens niet gespecificeerd zijn (er waren meerdere typen guldens in gebruik die in waarde verschilden). Volgt het antwoord van Breunis Breunissen. Hij zegt dat alles op de wettelijke manier gegaan is en ontkent verder alles. De eiser moet eerst maar bewijzen dat de bloedlijn correct kan worden vastgesteld. Zo heeft Reiners vader een oom gehad die ook Maas Spruit heette. Die Maas heeft twee dochters nagelaten die zonder kinderen gestorven zijn. Die tak kan ook hun deel verkocht hebben. De koopsom van 32 gulden betekent bovendien dat het goedje niet veel waard was. Wij hebben het nu al heel lang rustelijk en vredelijk kunnen bezitten. Inmiddels is het aanmerkelijk vertimmerd en verbeterd. Nogal logisch dat hij het voor dat bedrag wel terug wil kopen (zo ging dat volgens pandrecht gewoonte). De eiser heeft zelf ook helemaal geen bewijstukken van het goed. Hij verwacht kennelijk dat de verweerders hun eigen zwaard tegen zich zullen gebruiken (er alles aan zullen doen en zo in de eigen val lopen) om hem bewijs te leveren. Reiner Spruit gaat daar tegenin: ik heb Neude Barts en Henrick Wichmansen als getuigen dat het betwiste goed gekocht is en dat de verkoper zich beklaagd heeft dat hij het te goedkoop overgedaan had. Er is dus een ondeugdelijk koop gedaan met een te kleine koopsom. Tussendoor veel latijn, wat het voor mij moeilijk maakt te volgen, vooral omdat het ook in een oud en soms moeilijk te lezen handschrift staat. De scholt te Putten, Evert van Nulde, heeft op verzoek van Breunis Breunissen de getuigen Peel Barts en Hubert Henricksen opgeroepen omdat zij weten hoe lang het precies geleden is dat Evert Stevensen, de eerste man van zijn moeder, Spruitengoed hier gekocht had en wanneer Evert hier kwam wonen. Peel Barts verklaart dat het meer dan 40 jaar geleden moest zijn want het was al 36 jaar geleden dat Evert dood ging. Daarvoor had hij het nog wel zeven of acht jaar zonder problemen in bezit gehad. Komt bij dat hij (Peel) een van de verkopers tot vrouw heeft gehad en hij Evert na de koop van Spruitengoed heeft geholpen met schoonmaken en verhuizen. Hubert verklaart dat Evert 36 jaar geleden gestorven is en daarvoor op het goed woonde. Hubert kende de situatie goed, want hij had met Evert in Arnhem gevangen gezeten vanwege de koning van Castille. Hij hoorde hem daar klagen dat hij dat goedje gekocht had en daarom geen geld zou hebben als hij uit de gevangenis zou komen. Peel Barts getuigde dus dat de eerste koop al voor de gevangenneming gedaan was. Henrik Spruit heeft naderhand nog zijn overige drie delen wettelijk aan Evert verkocht. Op die manier heeft Evert het goed met vreemde hulp betaald en tot nu toe rustelijk en vredelijk kunnen gebruiken en aan zijn erfgenamen kunnen nalaten. Volgt nog een latijns tekstje van Andreas Leseborn, kellenaar in Putten. Reiner Spruit ondervraagt ook getuigen. Peel Barts verklaart dat Evert Stevensen het goedje gekocht had dat nu door Bronis Kraak gebruikt wordt. Evert had tegen Peel gezegd dat hij aan ieder van de acht erfgenamen vier gulden betaald had, een daarvan was de eerste vrouw van Peel. Willem Reinerts verklaart dat hij gezien had dat de jongste broer van de acht erfgenamen de vier guldens voor zijn aandeel had ontvangen. De uitkomst van het proces is niet bekend maar we kunnen het aflezen uit het vervolg van de geschiedenis waarin Bronis Bronissen (namen werden steeds weer anders geschreven) op de Kraak blijft zitten. De poging die Reiner Spruit deed om de boerderij weer aan zijn familie te laten toebehoren is dus gestrand. We moeten wel bedenken dat de Kelnarij met zijn registers en het geven van consent (toestemming) een belangrijke rol speelde. Niet dat er hier iets op wijst, maar als zij een hardwerkende betrouwbare pachter op hun boerderij konden krijgen zullen ze dat misschien niet altijd netjes gespeeld hebben. Zij waren namelijk rechtstreeks belanghebbende bij goede inkomsten van het bedrijf. Verdere geschiedenis van de KraakIn een overzicht van volschuldige hofhorige goederen van de Kelnarij (0324_268-0264) begint men in het jaar 1546 met de beschrijving van de Kraak, voorheen Maas Spruitengoed. Het is dan in bezit van de net genoemde Bronis Kraken en zijn vrouw Weim Bronissen. In 1560 neemt zoon Bronis Bronissen met zijn vrouw Liesbet het over. Liesbet was geen horige van de Kelnarij en moest daarvoor een boete van 6 gulden betalen. Ook hun zoon Heimen Bronissen moesten ze horig maken voordat die in 1609 de Kraak kon overnemen. Hij wordt in 1626 opgevolgd door Wolter Petersen. In 1650 is er een taxatie voor de belastingen, de zogenaamde verponding (0324- 293-0132). De naam van het goed wordt hier helaas, zoals vaker in dit stuk, niet genoemd. Wouter Petersen eijgenaer pachter Lubbert Cornelissen van huijs, hoff van ˝ schepel Wouter Petersen is dus eigenaar, maar er is een pachter genaamd Lubbert Cornelissen. Van de 3.5 mudde (2.3 ha) bouwland moet bij de graanoogst 1 op de 3 garven aan de abt als pacht betaald worden. Op gemeenschappelijke (heide)grond halen de twee aanwezige paarden en twee koeien hun kostje op. Het is dus een klein bedrijfje met nauwelijks houtwallen. Aan de Hertog moet jaarlijks 33 stuiver aan belasting worden betaald. In 1670 overlijdt Wouter Petersen, hij was getrouwd met Fijken Henriks. Het goed gaat over op hun zoon Henrick Woltersen, die echter al snel overlijdt in 1672 of 1673. Dit zou heel goed te maken kunnen hebben met de inval van de Fransen in die jaren. Zijn broer Wulf Woltersen en zijn kleinzoon Henrick Wulfsen volgen op. In 1694 is Henrick Wulfsen overleden, zijn weduwe Tonisje Henricks betaalt 30 gulden versterving (successie rechten). Zoon Henrick Henrixen volgt op. In 1702 overlijdt die aan dysenterie. Zijn broer Wouter Henrixen volgt op, hij komt voor op de inventarisatie van personen en goederen in Putten van 1749 (0008-272-0039). Wouter Hendriksen, huis, getrouwd (maar geen naam van zijn vrouw), geen capitalist, 1 peerd, 1 koe, 2 veerzen en 4.5 morgen land. Wouter Hendriksen overlijdt pas in 1761. Zijn zuster Geertje Hendriksen volgt hem voor korte tijd op. Tijdperk Van DiestEr begint een nieuw tijdperk. Gerrit de Ruiter genaamd Van Diest koopt in 1762 de Kraak van Geertje Hendriks en Steven Put voor een bedrag van 1200 gulden (0324-250B-0566). Onder het goed hoort nu 6 mud (3.5 ha) bouwland, 2 slagen (plaggeveld) op Beistersebroek, een half vierendeel in Huinerbroek, een halve deiling in het Halvikhuizerbroek en een halve hoef in Sprielerbos. In 1769 laten Gerrit van Diest met zijn bruid Mechteld van Zoll huwelijkse voorwaarden vastleggen. We kennen dit echtpaar nog uit een eerder verhaal vanwege hun logement in het dorp, zij zullen dus niet op de Kraak gewoond hebben. In 1800 betaalt Mechteld als weduwe van Gerrit van Diest 30 gulden keur. Zij overlijden zonder kinderen. Willem van Diest (een zoon van zijn broer Hendrik) en zijn vrouw Jannetje Elbers Wakker volgen kennelijk op want in 1816 nemen zij een hypotheek op de Kraak (Heyblom 1816-31). Het huis heeft dan nummer 338 in Putten, straatnamen of wijken werden nog niet gebruikt. Er zijn twee kampen gelegen bij het erf en nog enkele stukjes land in de Puttereng. De pachter is Mees Brandsen. De eigenaars hebben daarnaast nog het eigendom van Neude Claasgoed (nu de Beitel) ook in Beisteren. In 1819 is Willem van Diest overleden. Ook hier waren geen kinderen. In 1820 verkopen zijn broer Gerrit van Diest en zijn zuster Woutertje van Diest de Kraak aan Weimpje Flipsen, weduwe van Hendrik Besselsen van de Hazel (Heyblom 1820-28).
Tijdperk Van de HazelIn 1831 draagt Weimpje Flipsen, weduwe van Hendrik Besselsen van de Hazel, de Kraak voor 1400 gulden over aan haar zoon Bessel Hendriksen van de Hazel (0168_1121-0408). Er is dan 4.8 ha grond bij waaronder 2.8 ha van de helft van Rijklandskamp (L35) even verderop aan de Stenenkamerseweg onder Rimpeler. Als in 1832 het kadaster van start gaat is als eigenaar nog steeds Wijmpje Flipsen genoteerd. In totaal omvat het dan ruim 10 ha grond, wat betekent dat er flink bijgekocht is. Rijklandskamp (met de peppelebomen) is daarentegen juist van de hand gedaan. De boerderij heeft een jaarlijkse belastingafdracht van 21 gulden, wat een iets kleiner dan een gemiddelde boerderij betekent. Zoon Bessel van de Hazel trouwt met Gerritje Wieneken Vliek en ook zij weten het grondgebied flink uit te breiden. Zij woonden op de Kraak, maar hebben meer bezittingen zoals een boerderij bij het Beisterense spoor (L706) met nog boerderij de Kleine Weul en boerderij Klunengoed in Huinen. Bij zijn overlijden in 1885 bezit Bessel maar liefst ruim 51 ha grond, hij heeft dus goed geboerd (memsuc 69-0589). Zoon Rikkert van de Hazel met Maria van Davelaar nemen de Kraak over (Pliester 1881-658, 1888-1932). Er ligt 8.4 ha grond bij en dan nog 6.3 ha aan losse percelen in de Puttereng. Nog een flink aantal van die Puttereng perceeltjes gaan naar een andere zoon, ook Bessel van de Hazel geheten. Rikkert van de Hazel overlijdt in 1902 op de Kraak (memsuc 83-0199, Pieterse 1902-0094). De Kraak (hier steeds verkeerd gespeld als Kraat) is dan bijna 15 ha groot. Er zijn twee paarden, 14 koeien en 3 pinken op het erf. Een behoorlijke boerderij voor die tijd.
In 1903 komen Johannes van Drie en Dina van Drie op de Kraak. In 1912 Teunis Riksen (van Beek) en Bartje van de Broek. Zij hadden een zoon Rik van Beek, in de volksmond Rik van de Kraak genoemd, die trouwde met Trientje Schotsman. In 1938 kwam Elisabeth Waterman als sjieke dame uit Den Haag er wonen. Met de woningnood na de oorlog kwamen in 1946 Jan van de Mheen (en Hendrikje Timmer) met zijn broer Beerd van de Mheen (en Hendrika Knoppert) er wonen. Het ene gezin in het voorhuis, het andere aan de achterkant. Die bewoners zullen sommigen zich nog wel kunnen herinneren. Het einde van de Kraak kwam in 1955, toen is het afgebroken. Een nieuw huis werd ernaast gezet. Aart van de Mheen, de penningmeester van het PHG, komt ook van de Kraak. Toevalligerwijs hebben zijn vader, de bovengenoemde Beerd van de Mheen, en mijn vader Cornelis van de Kraats in de Tweede Wereldoorlog nog samen ondergedoken gezeten. Dat was aan de Oude Nijkerkerweg op de boerderij van mijn grootvader Willem van de Kraats. De onderduikplek was onder een mesthoop en verder weet ik alleen nog dat mijn vader zei dat hij daar het roken had geleerd. Ze verveelden zich natuurlijk en er was genoeg eigenteelt tabak voorhanden. Ook werd er wol gesponnen op een spinnewiel wat nu nog bij mij op zolder staat. Gelukkig hebben ze zo voorkomen dat ze als arbeider naar Duitsland werden afgevoerd. Beiden hebben de oorlog overleefd. TenslotteWe zijn in deze geschiedenis twee Krakengoederen tegengekomen. In Dasselaar lag vlak aan zee nog een boerderijtje wat Krakenburg heette. Daar woonden vaak vissers wat doet denken aan een oud scheepstype wat de kraak heette. Zo’n schip werd door Columbus gebruikt toen hij Amerika ontdekte (eigenlijk was dat Amerigo Vespucci, maar dat is een ander verhaal). De naam Kraak was hier in Nederland een verbastering van het Spaanse carraca dat het woord rammelaar oplevert als ik het vertaal. Door de vele zeilen maakte hij misschien veel herrie (kraakten zijn spanten) als hij met veel geweld door de golven beukte. Wij kunnen hierbij ook denken aan rammelende hazen die in het voorjaar elkaar achterna zitten en als boksers op hun achterpoten tegen elkaar vechten. Het was dus wellicht een soort stoere overwinnaarsnaam zoals wij het woord Turbo gebruikten als aanbeveling. In de inleiding kwamen we al rond 1350 de namen Thometus Sprute en Breunis Sprute tegen. Thometus is als naam duidelijk verlatijnst, hij zal in het dagelijkse leven Thomas of kortweg Maas genoemde zijn. Bronis kwamen we ook al tegen. Maas en Breunis zouden dus heel goed vroege bewoners van Maas Spruitengoed geweest kunnen zijn. Bij de verdeling van het Huinerbroek in 1858 was van de boerderij Braakengoed te Beisteren geen eigenaar komen opdagen (0366_409-0062). Ook toen had men kennelijk al moeite om oud schrift te lezen, er had natuurlijk Crackengoed in Beisteren gestaan. Braakengoed liet op de Kraak geen belletje rinkelen. Toen Gerrit de Ruiter genaamd Van Diest de Kraak kocht in 1762 zat er volgens het koopcontract nog een half vierendeel in het Huinerbroek bij. Dat was inmiddels al verdeeld tussen de overige eigenaren. Zo heb ik met het schrijven van dit verhaal na bijna 170 jaar dus nog een oud raadsel weten op te lossen. De Kraak in dit verhaal heeft met zijn voorganger Maas Spruitengoed dus een lange geschiedenis. Een detail hiervan is in een rechtszaak bewaard gebleven zodat we iets meer te weten kwamen over het leven van de mensen in die tijd. Wat zou het voor verhalen hebben opgeleverd als alle eigenaren en bewoners een dagboek hadden nagelaten? Alhoewel, met al die huizen die tegenwoordig op de vroegere percelen staan zou dat een explosie van teksten opleveren. |